Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RHODOKIyElA

Waar in droom-omsponnen blankheid Zich verheft de ruige rankheid

Van den Helikoon bij nacht. Waar het onbewogen maanlicht Op den rotswand zilv'ren paan sticht,

Kwam zij zacht: Uit der starren ijl geflonker, Door de wouden, door den donker

Van spelonken dreef de kracht Van heur licht bewogen leden Haar al dansend naar beneden,

Waar de zomer-morgen lacht.

Nu Eos met heur koele handen

Het gouden uchtendgloren plengt, En alle rijp ontbloeide landen

Van rozenrooden schijn doordrenkt, Nu door de vroeg ontwaakte toppen

Van 't woud de vlugge koelte speelt, De dauw met tintelende droppen

In 't loover schitteroogen teelt, Nu 't hert met trilling in de flanken

Zijn zwoele sluimering verwint, En in des leeuwriks jubelklanken

De wereld hare stem hervindt, Zweeft Rhodokleia op de wieken

Van levensvreugde en jonge kracht, De heerlijkheid van 't morgenkrieken

Herscheppend in gebarenpracht.

Sluiers omplooien haar, Dauwpaarlen tooien haar, Rozen bestrooien haar Duchtig ten dans.

Sluiten