Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALBERT VERWEY

UIT VAN DE LIEFDE DIE VRIENDSCHAP HEET

XVI

Ik ben een dichter en der Schoonheid zoon.

Alles wat schoon is is me een vreugd altijd.

Mijn hart is menschlijk, maar of 'klach of lijd, Mijn lachen en mijn leed zijn beide schoon.

Ik heb de macht dat ik wat schoon is toon Aan andren, door de taal die ik belijd, Zoodat wie leest bedroefd wordt of verblijd,

Maar zich bedroevend vreugd smaakt van mijn schoon.

En zoo zal ik, die altijd dichter ben, Nooit enkel lijden, daar geen oogenblik

Der schoonheid wonder van mijn ziel zal vliên.

En daarom (zoo ik recht mtjzelven ken), Zal 'k altijd troosten kramen, wie als ik

Lijden, maar in hun leed geen schoonheid zien.

Sluiten