Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En maakte tot zijn dienst gereed. Door dit gekorven rietje, dat Als dood hij in zijn handen had, Dien stemmeloozen stengel zond Hij straks den adem van zijn mond, En, als hij blies, zoo zong het riet, En, als hij zweeg, verstomde 't lied : De zoete, pas ontwaakte stem Bestond en leefde slechts door hem.

Zoo gaf ik gaarne wensch en wil In 's Heeren hand en hield mij stil. Zoo dan, als door een rieten fluit, Bij zwijgend eigen stemgeluid, Gods adem door mij henen blies, Hoe groote winst bij kleen verhes !

(Uit : Nieuwe. Verzen.)

HET ZONNESPECTRUM

Ik h'eld een prisma in de hand

En wierp een schijnsel op den wand,

Dat, schoon het zonlicht, doorgaans wit,

Uit zijnen aard geen kleur bezit,

Zoo velerhande kleuren droeg,

Dat ik mijzelve, peinzend, vroeg,

Hoe toch dit klaar, doorschijnend glas,

Dat zelf volkomen kleurloos was,

Al deze kleuren scheppen kon

En halen uit het licht der zon.

Het licht, dat door dit prisma viel, Werd mij het beeld van mijne ziel, Die eveneens een prisma vond, Waardoor zij hare stralen zond,

Sluiten