Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een glas, waarmee ik heb gespeeld, En dat haar wezen düs verdeeld En düs gekleurd heeft en getint, Dat zij maar nauw zichzelf hervindt In 't spel van dezen regenboog Die zoo veelkleurig is voor 't oog.

Edoch, omdat het klare glas Der kunst volkomen kleurloos was, Vermoed ik, dat haar eigen aard Dit kleurenspectrum heeft gebaard. Dat steeds in 't klaar en nuchter wit Van mijne ziel verborgen zit.

GEDIJ K EEN BDOEM

Gelijk, o groote zon, de bloemen dezer hoven 's Morgens te wachten staan op 't rijzen van uw gloed, En. als uw schijnsel komt, dien hchtgi,ans van hier boven In 't hart ontvangen, dat zich voor u open doet,

En bloeien naar uw wil, en met hun schoon u loven, U, die hun schoonheid zijt, en God, en hoogste goed[ En 's avonds, als de glans van uw zoet licht gaat doven,' Tevreden slapen gaan, als alles rusten moet,

Zoo hgt mijn ziel voor God en doet zich voor Hem open, Voor Hem, der zielen Zon, die 't eeuwig schijnsel geeft! En bij Wiens godlijk licht mijn zitten, opstaan, loopenj Al, wat ik ben, of doe, of niet doe waarde heeft ; Zoo ligt mijn ziel voor God, zoo zonder vreeze of hopen, Tevreden zoo ze sterft — of zoo ze eeuwig leeft.

(Uit: Iris.

Sluiten