Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAREL VAN DE WOESTIJNE

UIT: DE PAARDEN VAN DIOMEDES.

Zij stonden, waar 't geklonken staal ze bond ; hun loensche blik, binnen den boog van strakgespannen nek en 't hangend loomen van hun maan, verzwaard van stoll'ge golpen bloeds ; — zij stonden aan de kribben, roereloos van schoft en krommen hals en rugge-diept; de harde kaak gebeten van 't gebit dat korf den mond-hoek ; de onder-lippe laag aan hoek'ge tanden en de slijm'ge tong ; nauw huid van schouder en van bil ontroerd van ruling; de éen-hoorn van den voet gerecht op teen-hoek, maar die niet te stampen dorst. Want slechts hun oog en loensch-bewogen blik was schichtig-norsch binnen den spann'gen boog van nek en neus ; en hij verborg geen drift, verborg geen toren om 't weerbarstig staan dat aedren schoot van woedend bloed aldoor de bleeke bollen, daar het licht in draait der roerige oogen ; — waar geen bek, geen borst, geen dij aan rilde pooten, pijnlijk van gebonden beven binnen strak geduld, bewegen dorst, doch zelfs een snuivende aêm bestond te blazen door den rooden neus.

Sluiten