Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij stond. Daar was gedreig van stilte in hem . . .

Hij stond, de ruige, roode hand geklemd

aan vingren Tijk de wortels van den pijn

die, in het korrhg-mmle duin-zand bloot,

vatten een diepere aarde in hunnen greep,

— geklemd, strak, om den klauw-poot van den leeuw,

der leeuwen-huid die langs de lenden hing

en schravend eene wreede omarming lei

vier-hakig aan zijn schouderen. Hij stond,

aiover 't hoofd de harde gaping van

den leeuwen-muil, gesperd van oogen, spits

aan beide zij van ooren, en de neus

zwart op het voorhoofd van den held, dat wit

toonde de leeuwen-tanden. En 't gelaat,

onder de kille glinstring van 't gebit,

in 't rosse duistren van den pels, was breed

en rood, en toe gehjk een dooden-huis.

Hij stond, onroerend. Blauwend was het hemd dat daalde hem ten knie, over de borst die deinde, rustig, en den hollen buik die slonk onder het hooge ribben-stel en 't snoer dat hem de heup bond. En dit hemd woef hem Athena, de getrouwe; want hoe vaak had zij geholpen toen de moed hem faalde, of wrang vertwijflen hem beving, of — wreeder — opstand in zijn binnenst woei tegen Eurustheus; maar zij was hem na, goot hem én kracht én zekerheid, als wijn met sterke kruiden ; suste hem, gelijk een moeder sust haar man-geworden zoon ; en toen waren haar woorden niet als wijn, maar als de bronnen die ze, zeekren dag van hope- en nuttelooze moeheid, sloeg

Sluiten