Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STELLING.

De stelling moet zoodanig zijn, dat ze een vasten stand, een goed evenwicht, waarborgt en den tegenstander een zoo klein mogelijk doel biedt, zonder de bewegelijkheid van het geheele lichaam en van de armen in het bijzonder te verminderen.

Overigens is zij zoo los en vrij mogelijk en bij geoefende boksers zal de stelling dan ook afhangen van bouw en inzichten van den bokser.

De meest algemeene stelling en daarom die, waarvan in deze handleiding steeds zal worden uitgegaan is de volgende (zie fig. 1 en 2):

Het linkerbeen voor, lichtgebogen, de punt van den voet in de richting van den tegenstander, de hiel gewoonlijk op den grond, doch ook wel geheven.

Het rechterbeen achter en iets buitenwaarts ten opzichte van het linkerbeen en sterker gebogen. De hiel is gewoonlijk geheven.

De hoek tusschen de beide voeten is eene natuurlijke, als in den gewonen gang; de afstand, afhankelijk van de lengte der beenen, gemiddeld ongeveer 40 c.M.

De romp is wat naar rechts gedraaid, zoodat de linkerschouder naar voren komt en helt iets naar voren. Het lichaamsgewicht rust meestal wat meer op den linker-, dan op den rechtervoet; dit verandert echter door rompbewegingen steeds.

De linkerschouder is opgetrokken, ter dekking van de kin, de linkerarm wijst in de richting van den tegenstander, is flauw gebogen, de elleboog ongedwongen naar binnen gebracht en ter hoogte van den linkerborst of iets lager.

De rechterarm ligt los en bewegelijk tegen den borstwand, de elleboog ter hoogte van de maagstreek, de rechtervuist voor de kin of de linkerborst

De rugzijde van de vuist is naar buiten gekeerd. Bij de nietof dunbekleede vuist zijn de vingers stijf in de hand gesloten en ligt de duim er overheen, bij de bekleede vuist is de duim zooveel mogelijk aan of in de handschoen gesloten om verstuikingen te voorkomen.

Sluiten