Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telings moeten de beenen steeds gestrekt of gebogen kunnen worden; de beenspieren moeten dus steeds bewegelijk, alleen itt zeer bepaalde gevallen (b.v. bij het toebrengen van een stoot) en dan slechts een oogenblik, sterk gespannen zijn. Men onderscheidt de bewegingen der beenen in hoofdzaak in:

1. Passen voorwaarts en achterwaarts.

Bij de pas voorwaarts (of achterwaarts) verplaatst men eerst den voorsten (achtersten) voet en trekt onmiddellijk daarop den anderen tot op normalen stelling-afstand bij. De voetballen bewegen rakelings langs den grond.

2. Sprong achterwaarts.

Bij den sprong achterwaarts zetmenkrachtigmetdenvoorsten voet af, zoodat de beide voeten heel even van den grond gelicht worden en het lichaam een korten afstand achterwaarts schuift

3. Passen zijwaarts.

Een pas naar links (of rechts) wordt gemaakt door eerst den linker- (of rechter) voet naar links (of rechts) te verplaatsen en onmiddellijk daarop de andere weer op den normale stellingafstand er voor of achter te brengen. Nooit mogen bij een pas zijwaarts de beenen gekruist worden, daar dit ten nadeele van de vastheid van den stand komt

4. De uitvallen voorwaarts of schuin voorwaarts.

Links voor staande zal men in 't algemeen links uitvallen. De uitval bestaat dan uit een krachtig strekken van het rechterbeen en den rechtervoet, waarbij de voorste voet even wordt opgelicht en dichtlangs den grondnaarvoren schuift,terwijl het linkerbeen iets, doch niet veel, meer gebogen wordt. Gewoonlijk komt men in de stelling terug door den achtersten voet op den normalen afstand bij te trekken; dus niet door weer op den rechtervoet in de stelling te komen door afzetten met het linkerbeen.

Een beweging, die, wanneer goed uitgevoerd, met succes toepassing kan vinden is het zoogenaamde „overstappen",hierin bestaande, dat men het rechterbeen naar voren brengt (een rechtschen uitval maakt) tot naast de buitenzijde van het linkerbeen van den tegenstander (zie bldz. 32).

Sluiten