Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. De rechte stoot links naar het hoofd. — Met een voorwaartschen uitval (waarbij dus rechterbeen en voet krachtig worden gestrekt, zie bldz. 18) den linkerschouder naar voren brengen, door den romp naar voren te brengen en naar rechts te draaien en den linkerarm krachtig strekken in de richting van het hoofd van den tegenstander (zie fig. 3 en 4). Bij het treffen den rechtervoet met de punt vlak langs den grond bijtrekken.

2. De rechte stoot links naar het lichaam. — Wordt uitgevoerd als de voorgaande. Men kan bij dezen stoot wat doorbuigen in de knieën om zoo den weg naar het lager gelegen doel te verkorten (zie fig. 5).

3. De rechte stoot rechts naar het hoofd. — De romp wordt door krachtig strekken van rechtervoet en rechterbeen naar voren gebracht en tevens naar links gedraaid, zoodat de rechterschouder naar voren komt. Tegelijkertijd wordt de rechterarm snel in de richting van het hoofd van den tegenstander gestrekt (zie fig. 6). Bij het treffen komt de rechtervoet weer dicht langs den grond naar voren.

4. De rechte stoot rechts naar het lichaam. — Als de voorgaande. Ook hierbij kan men weer wat doorbuigen in de knieën.

De halfarmstooten.

Wordt gedurende het gevecht de afstand tot den tegenstander kleiner (door instappen b.v.) dan gebruikt men de halfarmstooten. Het kenmerk van deze stooten is, dat de armen gebogen blijven bij het toebrengen. De snelheid van den stoot moet verkregen worden door beweging van den gebogen arm en door draaiing van romp en beenen.

Bijzondere vormen van halfarmstooten zijn de hoek- en opstooten.

1. De llnksche halfarmstooten.

Den bovenarm vanuit de houding in de stelling naar het lichaam toetrekken en den onderarm er zóóveel op buigen, dat de vuist, zonder verdere beweging van den onderarm t.o.v. den bovenarm, het doel kan treffen door draaiing van romp en beenen en eenige beweging van den bovenarm in het schoudergewricht. Hierbij wordt de bovenarm meer of minder geheven en worden

Sluiten