Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze vuisthouding eigen, daar fouten daarin bij het toebrengen van een stoot ernstig letsel van het handgewricht kunnen veroorzaken.

Opmerking: Hier zijn alleen de stooten inhuneenvoudigsten vorm behandeld. Er bestaan natuurlijk tal van grootere en kleinere afwijkingen, stooten, die, in hoofdzaak aan de beschrevene gelijk, erin onderdeden van verschillen. Ieder bokser vormt zich op den duur voor zich zelf een of meer speciale stooten, waarvan enkele blijken wel voordeelen te hebben, doch die hier niet alle beschreven kunnen worden.

DE VERDEDIGINGSBEWEGINGEN. Ia. Dekken.

Bij deze wijze van verdediging wordt het bedreigde lichaamsdeel eenvoudig gedekt door arm of handschoen, zoodat de stoot op dien arm of handschoen wordt opgevangen. Tegen rechte en halfarmstooten (uitgezonderd opstooten) naar het hoofd, dekt men zich door de rechter- of linkerhand met de palm naar buiten iets vóór (niet tegen) het gelaat te brengen (is de linkerzijde de bedreigde dan de rechterhand en omgekeerd) en den arm stijf te spannen of den stoot iets te gemoet te gaan. Tegen opstooten door een hand (bij voorkeur de rechter) met de handpalm omlaag ter hoogte van de kin te brengen.

Tegen een zwaaistoot brengt men den arm met de rugzijde naar buiten even naast de bedreigde zijde, tegen een linkschen zwaaistoot den rechter-, tegen een rechtschen zwaaistoot den linkerarm (zie fig. 12).

Stooten naar het lichaam ontvangt men op de over de bedreigde plaats gelegde hand of onderarm.

Ib. Blokken (fig. 13).

Hierbij wacht men den stoot van den tegenstander niet af en vangt hem op, doch men gaat den stoot tegemoet en voorkomt hem en wel door de aanvallende vuist (of de vuist, waarvan men een aanval verwacht) tegen te houden en zelfs terug te duwen. Dit heeft het voordeel, dat men niet wordt getroffen en vaak den tegenstander het evenwicht doet verliezen, doch het blokken eischt veel juistheid en snelheid, dus veel oefening.

Sluiten