Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samenstelling van die bewegingen vanzelf. Elke samengestelde beweging worde dan in een eerste les in hare onderdeden gesplitst onderwezen, voordat zij als geheel wordt uitgevoerd. Wil de onderwijzer b.v. de volgende oefening laten uitvoeren: Een linksche rechte stoot naar het hoofd met den linkerarm naar links weren en rechts nastooten dan zal hij:

1. langzaam links stooten en links doen weren;

2. vlugger links stooten, op dezelfde wijze doen weren en daarbij den stootarm eenigszins omhoog laten drukken;

3. zoo snel mogelijk stooten en doen weren en daarna rechts na laten stooten.

Voor de oefening:

Linker schijnstoot naar het lichaam, gevolgd door rechte rechtsche stoot naar het hoofd zal hij:

1. den leerling voorwaarts laten gaan op den goeden afstand voor de schijnbeweging;

2. hetzelfde met gedeeltelijk strekken van den linkerarm en sterk kijken naar het onderlichaam;

3. hem met schijnbeweging een pas voorwaarts laten maken en onmiddellijk daarna met een uitval, rechts naar het hoofd laten stooten.

DE HULPMIDDELEN BIJ HET ONDERWIJS.

Voor de oefeningen in het stooten gebruikt men stootballen en stootzakken van verschillenden vorm.

De stootballen zijn met lucht gevulde ballen, die opgehangen zijn aan een platform (platformballen) op een veerenden staaf staan (staaf ballen), of door twee veerende einden zijn opgehangen tusschen zoldering en vloer (dubbel eindballen).

De stootzakken zijn met zand of lichtere stoffen gevulde zakken van zeildoek of leder, die opgehangen zijn aan een korter of langer eind of eenvoudig voorzien zijn van twee handvatten en door den onderwijzer op een of andere plaats, voor of zijwaarts van zijn lichaam, worden vastgehouden, terwijl de leerling order heeft er op te stooten, waarbij van de houding van den stootzak afhangt hoe hij stooten moet.

De lichte stootballen dienen overigens meer om snel en juist, de zwaardere om juist en met kracht te leeren stooten.

Sluiten