Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een scheidsrechter met een fluit gewapend en twee grensrechters, elk met een vlaggetje in de hand.

Als de scheidsrechter fluit, komen de aanvoerders naar hem toe en wordt er met een of ander muntstuk getost, welke partij het veld mag kiezen, want zon en wind kunnen van invloed zijn op de terreinkeuze.

De partij, die niet de terreinkeuze heeft gehad, trapt den bal uit, van 't middelpunt van 't veld af. De bedoeling is natuurlijk om, al combineerend en den bal spelend van den eenen partijgenoot naar den anderen naar 't doel van de tegenpartij te brengen, om daar, in den regel op niet te grooten afstand van 't doel, een schot te lossen, dat den bal in 't doel doet komen, waardoor dan een doelpunt verkregen is.

Maar de tegenpartij heeft hetzelfde tot taak en begint dus aanstonds met de plannen van den vijand te verijdelen, zich in 't bezit van den bal te stellen, en dan opbaar beurt een offensief op 't vijandelijk doel te openen, wat dan weer de andere partij aanleiding geeft, om haar strijdmachten te concentreeren en haar doel te verdedigen en te trachten tot den aanval over te gaan.

Hoewel 't spelreglement geen arbeidsverdeeling voorschrijft en dus een partij zou toelaten, om alle elf spelers op de doellijnte plaatsen heeft de strategie in andere richting gewezen en leert de practijk, dat wel degelijk de arbeid min of meer verdeeld wordt en dat ieder speler in 't veld zijn aparte plaats heeft en zijn eigen wérk.

Zoo hebben we een doelverdediger, wiens plaats op de doellijn is, wat niet belet, dat hij, zoo noodig ter bescherming van zijn doel, het veld mag inloopen. Hij is de eenige speler, die den bal met hand of arm mag spelen, mits hij dat doet in zijn eigen strafschopgebied. Doet hij dat daarbuiten, dan is hij onmiddellijk strafbaar.

Vóór hem staan twee verdedigers, die in den regel geen deel nemen aan den aanval, maar zich bepalen tot het ingrijpen bij vijandelijke attaques.

Vóór deze twee verdedigers staan drie middelspelers, wier taak tweeledig is. Zij zijn aanvallers, zoowel als verdedigers; ze trekken in benarde momenten op 't doel terug en bij een offensief steunen zij den aanval en vormen ze de eerste linie achter de voorhoede, bestaande uit vijf spelers, die bij een normalen wedstrijd zich in hoofdzaak met het opbrengen van den bal naar het vijandelijke doel en met de bestoking van dat doel onledig houden.

We onderscheiden in de voorhoede een linkervleugel en een rechtervleugel, respectievelijk bestaande uit linksbinnen en linksbuiten en rechtsbinnen en rechtsbuiten, welke twee vleugels verbonden zijn door den middenvoorspeler.

In de middellinie onderscheiden we ook den linkschen en rechtschen middelspeler, terwijl de spil in 't midden staat. Oök de achterspelers worden in denzelfden geest aangeduid.

Sluiten