Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buddha ging naar den pottenbakker toe, groette hem beleefd en zeide:

— Indien het u niet ongelegen komt, afstammeling van Bhagas, wenschte ik den nacht in uw voorhal door te brengen.

— Het komt mij geenszins ongelegen, Heer. Maar er is juist een andere pelgrim aangekomen, vermoeid van een lange wandeling en deze heeft zijn nachtleger hier opgeslagen. Indien hij er niet tegen heeft, kunt u blijven.

En de Volmaakte overwoog:

Eenzaamheid is voorzeker het beste gezelschap. Maar deze goede pelgrim is hier laat aangekomen; evenals ikzelf vermoeid van een lange wandeling. En toch is hij evenals ik de huizen van onreine verdienste voorbijgegaan, is het huis van kijf en strijd voorbijgegaan, zoo ook het huis van luidruchtige drukte en onwaardige genoegens en eerst hier bij den pottenbakker is hij binnengetreden. In het gezelschap van zulk een man kan men den nacht wel doorbrengen.

Zoo ging hij dan de voorhal binnen, alwaar hij aan' trof een nog tamelijk jongen man met edele trekken, die in een der hoeken op een mat was gezeten.

— Indien het u, o pelgrim, niet ongelegen komt, zeide de Volmaakte tot hem, zoo wil ik hier den nacht overblijven.

— Ruim, o broeder, is immers de voorhal van den pottenbakker. Blijf, indien het u behaagt, eerwaardigste!

Daarop spreidde Buddha tegen een der wanden een stroomat uit en zette zich er op neder met gekruiste

Sluiten