Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terden in den zachten nachtwind en daardoor heen schitterden heldergele, oranjekleurige en scharlakenroode bloemen, niettegenstaande de eigenlijke bloeitijd nog eerst naderende was.

Maar waarom, o broeder, zouden deze boomen al niet reeds in vollen bloei staan, daar immers de acokaboom oogenblikkelijk zijn knoppen opent, zoodra de voet van een bekoorlijk meisje zijn wortels beroert!

Een wonderschoonen, heerlijken maneschijnnacht — het is mij alsof het gisteren was — stond ik onder die boomen aan de zijde van de liefelijke oorzaak van dezen vroegtijdigen bloei, mijn beminnelijke Vasitthi. Over de donkere schaduw der kloof heen beschouwden wij tot in de verte het landschap; wij zagen de zilveren banden der beide stroomen zich door de onafzienbare vlakte heenkronkelen en zich vereenigen bij de hoogheilige plek die de „Drievlecht" wordt genoemd, omdat men gelooft dat de hemelsche Ganga zich daar met hen verbindt als derde. Den laatste toont Vasitthi mij nu boven de boomkruinen — want deze schoone naam wordt gegeven aan het hemellicht, hetwelk wij in het Zuiden den Melkweg noemen. Zoo spraken wij over den machtigen Himawat in het Noorden, waar de Ganga vandaan komt, waar sneeuwtoppen de woningen der goden zijn en in wiens uitgestrekte bosschen en diepe ravijnen de groote asceten hun verblijf hebben. Doch nog liever volgde ik den Jamunastroom.

— O, riep ik uit, mocht ik toch een betooverde boot bezitten van parelmoerschelp, voortgestuwd door mijn wenschen, bestuurd door mijn wil, opdat ze ons zou

Sluiten