Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de sagen weliger bloeiden in het Gangesdal dan bij ons in de bergen.

En zij vertelde mij, hoe Krishna eens op zijn vlucht door Indras wereld in een kampspel den hemelschen koraalboom had gewonnen en geplant had in zijn tuin — een boom, wiens donkerroode bloemen haar geur naar alle zijden verspreiden. En iemand die iets van dezen geur inademt, herinnert zich lang vervlogen tijden, vroegere levensloopen.

— Maar alleen de heiligen kunnen hier op aarde dien geur inademen, vervolgde zij, en, voegde zij er eenigszins schalksch aan toe: Wij beiden zullen wel geen heiligen worden. Doch wat doet het er toe? Zelfs al zijn wij geen Nala en Damayanti, wij hebben elkaar even vurig bemind als zij — hoe dan ook onze namen zijn geweest. En misschien zijn liefde en trouw het eenige werkelijke en wisselen slechts namen en lichamen. Zij zijn de melodieën en wij zijn de luiten waarop gespeeld wordt. De luit gaat in stukken en een ander wordt gestemd, maar de melodie blijft dezelfde. Voorzeker klinken de tonen van het eene instrument voller en welluidender dan die van het andere, zooals ook mijn nieuwe vina een schooneren klank heeft dan de oude. Maar wij — wij zijn twee heerlijke luiten voor de goden om op te spelen, om de zaligste van alle melodieën te laten weerklinken. ,

Zwijgend drukte ik haar aan mijn hart, innerhjk aangegrepen en mij verwonderende over zulke zeldzame gedachten. Doch, daar zij wellicht mijn gedachten had geraden, voegde zij er met een zachten glimlach aan toe:

Sluiten