Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik sloot haar in mijn armen en drukte mijn lippen op de haren. Op dit oógenblik begon de boom boven ons te suizen. Een groote lichtroode bloem daalde neer langs onze door tranen bevochtigde wangen. Vasitthi ving haar glimlachend op, wijdde haar met een kus en gaf ze mij. Ik verborg de bloem aan mijn borst. Meerdere bloemen waren ter aarde gevallen. Medini, die met Somadatta niet ver van ons op een bank gezeten was, sprong op en terwijl zij eenige gele acokabloemen in de hoogte hield, kwam zij op óns toeloopen en riep:

— Kijk, zuster! De bloemen beginnen al reeds te vallen! Weldra zullen er genoeg zijn voor je bad.

— Maar deze gelen mogen toch niet in Vasitthisbad komen, bracht mijn altijd schertsende vriend er tegen in — indien ten minste haar bloeiend lichaam om strijd met haar liefde zal bloeien — zij kan slechts zulke scharlakenroode gebruiken als die, welke onze vriend Kamanita juist op zijn borst verbergt. Want het heet immers in het gouden boek der liefde: „Saffraangeel wordt genoemd genegenheid, die wel in het oogvallend is, maar ook spoedig vergaat; scharlakenrood echter die, welke niet vergaat en buitengewoon in het oogvallend is."

Bij deze woorden lachten hij en Medini op hun vroolijke, vertrouwelijke wijze. Maar Vasitthi zeide ernstig, ofschoon met haar liefelijken glimlach, terwijl zij mijn hand vast en innig drukte: —

— Je vergist je, waarde Somadatta; mijn liefde heeft geen bloemenkleur. Want ik heb hooren zeggen dat de ware kleur der liefde niet rood, maar zwart is — zoo

Sluiten