Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGENDE HOOFDSTUK. Onder het roovergesternte.

Zoodra ik weder het dorp bereikt had waar wij óns nachtkwartier hadden opgeslagen, wachtte ik niet lang met mijn menschen te wekken, zoodat eenige uren vóór zonsopgang de karavaan alreeds op weg was.

Na een veertien dagen zonder tegenspoeden gereisd te hebben, naderden wij de boschrijke streek van Vedisa. Tegen den middag kwamen wij aan een hefelijk dal. Een kristalhelder riviertje kronkelde zich rustig door groene weiden, terwijl golvende heuvelrijen begroeid waren met een bloeiend struikgewas, dat een welriekenden geur in het rond verspreidde. In het midden van het lange dal stond een nyagrodhatboom, wiens ondoorzichtige loofkniin een donkere schaduw wierp op den smaragdgroenen bodem en die met zijn duizenden luchtwortels een schuilplaats vormde, waaronder wel tien karavanen als de mijne beschutting hadden kunnen vinden. Ik herinnerde mij de plek nog van de heenreis en had haar alreeds van te voren tot legerplaats bestemd. Wij maakten daar dan halt. De van denmarsch vermoeide ossen heten wij door den stroom waden; begeerig dronken zij van het koele water en deden zich daarna te goed aan het zachte oevergras. Mijn menschen verfrisschten zich met een bad en gingen dadelijk dorre takken zamelen voor een vuur om de rijst op te koken, terwijl ikzelf na eveneens een bad te hebben genomen,

Sluiten