Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schaduwrijke dak van den reuzenboom, zich te goed.

De kristallen keten met het tijgeroog, waarvan ik u reeds verteld heb hoe deze stuk ging toen ik met Satagira om Vasitthis bal vocht — een keten, die mijn goede moeder mij bij het afscheid om den hals had gehangen — deze was mij nu door Angulimalas bloedige moordenaarshand ontrukt! Maar nog veel smartelijker was mij het verlies der acokabloem, die ik sedert dien nacht op het terras steeds op mijn hart had gedragen. Niet ver van mij af meende ik haar ontdekt te hebben — een kleine, roode vlek in het platgetrapte gras; juist daar, waar de jongste roovers heen en weer liepen om het dampende vleesch der in allerijl geslachte en gebraden ossen te gelijk met uitgeholde kalebassen met brandewijn te brengen aan de feestvierende roovers. Het was mij alsof mijn hart werd platgetrapt, iederen keer dat ik mijn arme acokabloem onder hun onzindelijke voeten verdwijnen en minder stralend te voorschijn zag komen, totdat ik haar eindelijk niet meer onderscheiden kon.

Zou mijn Vasitthi op het oógenblik bij den zorgeloozen boom staan en hem uitvragen? Hoe goed was het dan dat de boom haar niet kon vertellen waar en in welken toestand ik mij bevond; want indien zij mij in deze omgeving had geweten, voorzeker, zij, met haar zacht gemoed, zou het niet hebben overleefd; de schrik zou haar hebben doen sterven.

Slechts een tiental schreden van mij af was de vreeselijke Angulimala met eenige zijner vertrouwelingen aan het zwieren. De flesch ging vlijtig rond, de gezichten

Sluiten