Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hartigen Arjuna, in zijn krijg tegen de Kuruingers, waarvan de oorzaak was, dat dezen hem en zijn broeders groot onrecht hadden gedaan. Toen nu de beide legers in slagorde tegenover elkaar stonden, ontdekte Arjuna onder zijn tegenstanders menigen verwant en vriend uit vroegere dagen, want de Panduingers en Kuruingers waren zonen van twee broeders. Arjuna werd daardoor innerlijk bewogen en draalde met het teeken te geven tot den Moedigen slag, daar hij hen, die eenmaal zijn vrienden waren geweest, niet wilde dooden. Zoo stond hij dan, met gebogen hoofd, in twijfel op zijn strijdkar en terzijde van hem de stralende god, die zijn wagenbestuurder zou zijn. En Krishna raadde de gedachten van den Pandavervorst.

Ghmlachend wees hij op beide legers en onderrichtte hem, hoe al die menschen slechts schijnbaar opstaan en ondergaan, terwijl toch in allen slechts één onstoffelijk en onvergankelijk, van geboorte en dood onafhankelijk wezen, onveranderlijk bestaat:

Hij,'die een ander moordenaar noemt, Hij, die een ander denkt te vermoorden, Zij dwalen: zij vermoeden niets: — Want niemand moordt en niemand sterft: — Welaan, begin den grooten strijd!

Toen hij aldus was ingelicht, gaf de Pandavervorst het teeken den ontzaggelijken strijd aan te vangen, en hij overwon. Zoo veranderde Krishna, de menschgeworden hoogste god, door de openbaring dezer gewichtige, geheime leer, Arjuna van een oppervlakkig,

Sluiten