Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weekhartig mensch tot een diepzinnig wijsgeer en onverschrokken held.

Ook geldt in waarheid het volgende: Wat iemand ook begaat of laat begaan; of hij verwoest of laat verwoesten; of hij pijnigt of laat pijnigen; of hij levende wezens doodt, neemt wat hem niet toekomt, in vreemde huizen inbreekt en andermans goed rooft; wat hij ook begaat, hij haalt zich geen schuld op den hals. Zelfs wanneer iemand met een scherp geslepen hakmes alles wat hier op aarde leeft, tot een enkele vleeschmassa hakte hij zou zich daarmede geen schuld opladen, geen onrecht begaan. En indien iemand verwoestende en moordende langs den zuidelijken oever van den Ganga trok, zou hij zich daarmede geen schuld berokkenen. En indien iemand hulp verleenende en aalmoezen gevende langs den noordelijken oever van den Ganga trok, zoo zou hem dit niet als verdienste worden aangerekend. Met zachtheid en zelfverzaking verwerft men geen

verdienste, doet men geen goed.

En nu volgt de verbazende, ja verschrikkelijke 477 sutram,

welke in zijn treffende kortheid luidt als volgt:

„Integendeel — op grond van den Verslinder."

De bedoeling dezer weinige, in de diepste geheimzinnigheid gehulde'woorden, verduidelijkt de eerwaardige Vajacravas op de volgende wijze:

Het is er aldus verre van af dat den roover of moordenaar goddelijke straf zou bedreigen; „integendeel", het tegenovergestelde is het geval, namelijk de gelijkheid met de godheid, hetgeen blijkt uit de plaatsen in

Sluiten