Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier moet het nu zelfs voor den meest blinde helder worden, dat de gelijkheid met Brahma niet kan liggen daarin, dat men zich laat slaan en opeten — wat het geval zou zijn indien zachtheid en zelfverzaking iets goeds waren, maar integendeel dat men anderen moet slaan en opeten — dat wil zeggen: hen benutten en doen verdwijnen — doch zelf van niemand schade lijden.

Er kan dus niet in het minst aan te twijfelen vallen, dat deze leer — over de hellestraf van geweldenaars — uitgevonden is door zwakkeren, om geen mishandeling te lijden van de zijde der sterkeren, door hen namelijk met zulk een leer vrees aan te jagen. En zoo er op enkele plaatsen in de Veda nog iets van te vinden mocht zijn — zoo moet dit, als strijdende tegen de hoofdregels, op valsche wijze door deze zwakkelingen er in gesmokkeld zijn.

Wanneer dan Rigveda zegt, dat, ofschoon de heele wereld eigenlijk Brahma is, „zoo erkende hij — namelijk 'god — toch den mensch als het wezen dat het meest doordrongen is van Brahma," en dus moet erkend worden, dat onder de menschen de echte roover het meest van Brahma doordrongen is en dien ten gevolge de kroon der schepping. Wat de dief betreft, zoo is het zonder meer duidelijk, dat aangezien de schrift zegt, dat de meening „dit behoort mij," een dwaling is, die den mensch verhindert zijn hoogste doel te bereiken — zoo is het duidelijk, zeg ik, dat de dief deze hoogste waarheid vertegenwoordigt, aangezien hij het voortdurend zakelijk tegenbewijs der dwaling „dit behoort mij," tot zijn eenigste levensopgave heeft gemaakt.

Sluiten