Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een nieuwe karavaan. Inmiddels werd ik ziek en toen ik mijn ziekbed weder kon verlaten, was de regentijd zpo aanstaande, dat wij dien eerst moesten afwachten. Maar nu stond dan ook niets onze afreis meer in den weg. Met talrijke aanmaningen tot voorzichtigheid namen mijn ouders afscheid van mij en zoo bevond ik mij weder onderweg, aan het hoofd van een goed uitgeruste karavaan van dertig ossenkarren. Vroolijk en welgemoed, aangespoord door een vurig verlangen, trok ik door Vindhyas dalen naar de vlakte van den Ganga.

Onze reis verliep even voorspoedig als den eersten keer en op een heerlijken morgen reed ik, half krankzinnig van vreugde, Kosambi binnen. Hier bemerkte ik weldra een ongewoon menschengewoel in de straten, hetgeen mij hoe langer hoe meer moeite gaf om met mijn karren voorwaarts te komen, totdat wij ten slotte op het kruispunt van een der meest drukke straten geheel tot stilstand werden gedwongen. Het was gansch onmogelijk hier door de menigte te komen en nu bemerkte ik tevens, dat deze straat prachtig versierd was met wimpeldragende vlaggestokken, tapijten die uit de vensters hingen en bloemguirlandes die dwars over de straat waren gespannen; klaarblijkehjk werd er een of andere optocht verwacht. Vloekende van ongeduld, vroeg ik aan de omstanders wat er toch aan de hand was.

— Ei! riepen zij uit; weet je dan niet dat Satagira, de zoon van den minister vandaag bruiloft houdt? Je mag van geluk spreken dat je op het goede oógenblik gekomen bent; de stoet komt juist van den Krishna-

Sluiten