Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der muren aan beide zijden er van op een afschuwelijke wijze versierd waren met gespietste menschenhoofden. Men behoefde er niet aan te twijfelen of het waren de hoofden der terechtgestelde roovers.

Voor het eerst sedert ik Vasitthis gelaat onder den baldakijn had gezien, begon ik aan iets anders te denken dan aan mijn verdriet. Met afschuw beschouwde ik deze hoofden, waarvan de gieren al reeds spoedig niet meer dan de beenderen hadden overgelaten, behalve waar de dichtheid van het hoofdhaar en hier en daar een baard, die plek beschut had. Zoodoende waren zij niet meer te herkennen; slechts één verried zich door zijn woesten, rooden baard en een ander, doordien zijn haarbos op de kruin in elkaar was gevlochten zooals gebruikelijk was bij asceten.

Beide hoofden en ongetwijfeld nog menig ander hadden mij dikwijls kameraadschappehjk toegeknikt in den nachtelijken kring en met huiveringwekkende duidelijkheid herinnerde ik mij, hoe gindsche roode baard in het maanlicht kon vonkelen en getrild had van genoegen onder de voordracht over de domheid der nachtwakers; ja, het was mij alsof ik het dreunend lachen van dien liploozen mond nog hoorde.

Boven het midden der poort blonk in de stralen der opgaande zon een machtige schedel, die mijn geheele opmerkzaamheid trok. Hoe zou het mogelijk zijn deze vormen niet te herkennen? Hij was het immers, die ons destijds zoo had doen lachen zonder zelf een spier van zijn brahmanengezicht te vertrekken. VajaQravas' hoofd had hier de eereplaats; zonder twijfel prijkte dat

Sluiten