Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik kon niet nalaten te glimlachen over zijn dwaling.

— Mijn goede man! Deze grafheuvel schijnt nog slechts enkele maanden oud te zijn en indien er een Vajacravas onder begraven ligt, zoo is het voorzeker geen heihge man, maar een roover van dien naam.

De koopman knikte rustig, toestemmend.

— Zeer juist! Dezelfde. Ik zag hem op deze plek op een paal spietsen en zijn hoofd bevindt zich boven de poort. Maar nadat hij op die wijze 'sKonings daarvoor bepaalde straf heeft ondergaan, is hij er door gereinigd geworden en vlekkeloos den hemel ingegaan; zijn geest beschermt thans de reizigers tegen roovers. Men verhaalt bovendien van hem, dat hij in zijn rooversleven een buitengewoon geleerd, ja bijna heihg man was, daarbij bekend was met de geheimen der Veda — in ieder geval, men beweert het.

— Inderdaad, het is zoo, antwoorde ik; ik heb hem zeer goed gekend en zelfs durf ik hem mijn vriend noemen. En toen de koopman bij deze woorden mij eenigzins ontsteld aankeek, vervolgde ik: U moet namelijk weten dat ik bij deze bende in gevangenschap raakte en dat Vajacravas mij bij die gelegenheid twee keer het leven heeft gered.

'sKoopmans blik veranderde van schrik in afgunst.

— U kan zich dan waarlijk gelukkig prijzen. Indien ik zoo hoog bij hem in de gunst stond zou ik in den loop van enkele jaren de rijkste man in Kosambi zijn. En nu wensch ik u, benijdenswaardige, een gelukkige reis!

Daarop zette hij zijn karavaan weder in beweging. Ik verzuimde natuurlijk niet om ook een offergave

Sluiten