Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voormiddag was, trad mijn vader mijn kamer binnen. Ik was juist bezig mijn lippen met lakverf tepenseelen, terwijl ik tegelijkertijd mijn bediende, die voor mijn venster op het binnenplein bezig was mijn lievelingspaard te zadelen, eenige aanwijzingen gaf. Het opzadelen moest dezen keer met bijzondere nauwkeurigheid geschieden en met behulp van een speciale inrichting moesten er eenige kussens op bevestigd worden, daar ik onder den rit een gazellenoogige voor mij op het zadel zou meenemen. Ik had namelijk met eenige vrienden en vriendinnen afspraak gemaakt gezamenlijk een uitstapje te maken naar een openbaren tuin. • Ik wilde voor mijn vader eenige ververschingen laten brengen, doch hij wenschte niets. En toen ik hem uit mijn gouden doos welriekende mondballen aanbood, sloeg hij ook deze af en nam slechts een weinig betel. Ik besloot hieruit, niet zonder een zekere beMemming, dat hij iets ernstigs voor had.

— Ik zie dat je aanstalten maakt voor een pleiziertochtje, mijn zoon, ving hij aan, na zich nedergezet te hebben op den stoel dien ik hem aanbood; dat kan ik geenszins afkeuren, na zoo kort geleden teruggekeerd te zijn van een vermoeiende handelsreis. Waar gaat het vandaag heen, mijn zoon?

— Ik zou met eenige vrienden en vriendinnen naar het park der honderd lotusvijvers rijden, lieve vader, en daar willen we ons met het een of ander spel gaan vermaken.

— Goed, mijn zoon! Het is een hefehjk, ja betooverend oord, het park der honderd lotusvijvers; de

Sluiten