Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op een dag kwam mijn tweede vrouw trillend van verontwaardiging bij mij en verlangde dat ik de eerste zou wegzenden, daar deze mijn zoon wilde vergeven — de jongen had namehjk kramp gekregen omdat hij gesnoept had. Met ahe gestrengheid wees ik haar terecht, maar nauwelijks was ik haar weer kwijt, toen mijn eerste kwam binnenstormen en mij toeriep, dat haar beide zoete lammetjes hun leven geen oógenblik meer zeker waren zoolang die gemeene vrouw in huis bleef — haar mededingster wilde haar dochters uit den weg ruimen om hun medegift niet ten koste van de erfenis van haar zoon te doen zijn.

Zoo was er dan onder mijn dak geen vrede meer te vinden.' Indien gij, o broeder, wellicht de woning van den rijken brahmaan zijt voorbijgekomen, niet ver hier vandaan, en gehoord hebt hoe de beide vrouwen van den brahmaan aan het krakeelen waren, hoe zij kijfden en met gillende stemmen elkaar de grofste scheldwoorden naar het hoofd wierpen, dan zijt gij om zoo te zeggen ook mijn huis voorbijgegaan.

En het werd helaas, nu te Ujjeni ook een gehefdkoosd gezegde: „Die twee verdragen elkaar als de vrouwen van Kamanita."

Sluiten