Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet, als destijds, toornige bliksems toezonden, maar mij eerder met kunstig gehuichelde vriendelijkheid aankeken. Zijn pezige vingers, die den bedelnap omspanden, waren blijkbaar dezelfden, die eenmaal als duivelsklauwen mijn keel hadden omspannen.

— Hoe zou ik wel, o huisvader — sprak mijn onheilspellende gast verder — hoe zou ik wel in toorn kunnen geraken over scheldwoorden? Heeft de meester niet gezegd: „Zelfs indien roovers en moordenaars u, discipelen, met een zaag de ledematen van het lichaam scheidden, zoo zou hij die daarover in razernij geraakte, niet mijn gebod opvolgen."

Bij het vernemen, o broeder, van deze woorden, met hun zoo duivelsch verborgen en voor mij toch zoo duidelijke bedreiging, begonnen mijn knieën zoodanig te beven, dat ik mij tegen den muur moest steunen om niet ter neer te slaan. Slechts met de grootste inspanning wist ik mij zooveel te beheerschen, dat ik eerder door middel van gebaren dan met stamelende woorden den als asceet verkleeden roover te verstaan kon geven of hij zoolang geduld wilde hebben, tot ik hem de noodige spijs kon verschaffen.

Daarop snelde ik, zoo haastig mijn wankelende beenen mij konden dragen, dwars over het voorplein naar de groote keuken, waar het juist in alle potten en pannen siste en kookte, daar men bezig was het middagmaal voor mijn familie en mijn geheele huishouding te bereiden. Hier koos ik met evenveel zorg als haast het beste en smakelijkste uit. Gewapend met een gouden lepel en gevolgd door een schaar van bedienden met

De Pelgrim Kamanita. 8

Sluiten