Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen, met mijn braven huishofmeester aan de spits, verklaarden, dat zij mij niet zouden verlaten, maar bhjven standhouden, daar zij er van overtuigd waren, dat ik voornemens was deze heerlijke bezitting, waar mijn hart zoo aan hing, niet te zullen prijsgeven zonder, indien het moest, mijn laatsten bloeddroppel er aan op te offeren en er zelf mede te gronde te gaan.

Verscheidene flinke kerels uit de stad, welke het vooruitzicht van een duchtig gevecht nog bijna meer aanlokte dan het geld, en die niet bang waren voor den naam van Angulimala — ja, zich zelfs voorspiegelden dat, zoo zij braaf hadden gevochten en gevangengenomen mochten worden, dan wellicht in de bende zouden worden ingelijfd — verscheidenen dezer onverschillige knapen sloten zich bij ons aan, zoodat ik ten slotte nog de beschikking kreeg over ongeveer veertig goedbewapende en dappere mannen.

Intusschen was het nu bijna avond geworden en de wagen waarmede mijn vrouwen zouden vertrekken, reed voor. Zij kwamen met de kinderen naar buiten en waren thans weer eenigszins gerustgesteld. Maar zoodra zij bemerkten dat ik niet met hen mede zou rijden en niet voornemens was het huis te verlaten, ontstond er weder een luid geschreeuw. Zij wierpen zich voor mij op de knieën, grepen mijn mantel en bezwoeren mij onder een stroom van tranen, met hen te vluchten: „Onze beschermer, verlaat ons nietl Stort je niet inde kaken des doods!"

• Ik verklaarde hen, dat als ik mijn post verliet, ons huis zeker een prooi der vlammen en van plunderende

Sluiten