Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik keek om mij heen als iemand die plotseling ontwaakt. Het uitgestrekte^ park, waarvan de donkere boomkruinen tegen het sterrenbezaaide donkerblauw des hemels uitkwamen en de trotsche hal, waar albasten lampen te midden der zuilen straalden — dit alles vertoonde zich nu in een voor mij geheel ander hcht. Nu omringden zij mij vijandig en dreigend; als prachtige vampieren, die reeds nagenoeg al mijn hartebloed hadden uitgezogen en nog begeerig hun kaken openden om zich te vergasten aan de laatste droppelen, en het dorre overblijfsel van een mislukt menschenleven slechts achter te laten.

Ik werd opgeschrikt door een verwijderd, onbestemd geraas. Het scheen mij toe het geluid van stemmen of voetstappen te zijn. Met ontbloot zwaard snelde ik eenige treden af en bleef toen staan om te luisteren. Roovers! — Doch neen! Alles was stil; alles bleef stil; noch van nabij, noch in de verte roerde zich iets. Het was slechts een dier in de nachtelijke stilte voorkomende, onbestemde geluiden geweest, die mij zoo menigmalen onder een karavaanreis van het wachtvuur hadden opgejaagd. Er was niets bijzonders. Maar wat was dat in mijzelf? Het was niet langer angst, die thans het bloed in mijn slapen deed kloppen; evenmin was het de moed der vertwijfeling; het was een vreugdekreet:

— Welkom roovers! Kom hierheen Angulimala! Verwoest, brand neder! Het zijn mijn doodsvijanden die gij vernietigt! Gij ontneemt mij slechts wat mij wil onderdrukken en verstikken. Kom hierheen! Dompel uw zwaard in mijn bloed! Het is mijn ergste vijand dien gij door-

Sluiten