Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zij zijn het die, na alles te hebben verlaten, als pelgrims rondwandelen.

Wat behoef ik dan de brandfakkels der roovers? Waarvoor hun zwaarden?

En ik, die eerst gesidderd had voor de roovers en die later ongeduldig naar hen verlangde — nu vreesde ik hen niet meer, noch verlangde iets van hen.

Bevrijd van angst en verlangen, gevoelde ik thans een groote kalmte. Deze kalmte kwam mij voor, een voorsmaak te zijn van de zaligheid die het lot wordt van hen, die het einddoel van den pelgrimstocht hebben bereikt, want zooals ik nu dacht over de roovers, moesten ook de pelgrims denken over de aardsche machten: noch hen vreezen, noch van hen iets verlangen, maar in vrede hun weg gaan.

En ik, die vier en twintig uur geleden nog opzag tegen een onbeduidende reis, uithoofde van de vermoeienissen en den karigen kost onderweg — nu nam ik, zonder mij een oógenblik te bedenken, het besluit om tot het einde mijner dagen te voet rond te dolen en mijn leven te onderhouden zooals het viel.

Zonder nog eenmaal het huis in te gaan, begaf ik mij regelrecht naar een schuur, die tusschen den tuin en het voorplein lag en waar allerlei gereedschap werd bewaard. Hier nam ik een ossendrijversstok, waar ik de punt afsneed om dien als wandelstaf te gebruiken, en aan een riem hing ik een flesch, vervaardigd van een uitgeholde kalebas, zooals tuinlieden en veldarbeiders gewoonlijk bij zich dragen. Aan de bron vulde ik de flesch.

Sluiten