Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op dat oógenblik kwam de huishofmeester naar mij toe: —

— Angulimala en zijn roovers zullen wel niet .meer komen, heer?

— Neen, Kolita; zij komen niet.

— Maar hoe, o heer? Gaat u reeds uit?

— Ja, Kolita; ik ga uit. En ik wilde je dit juist komen zeggen. Ik zal een weg gaan, die men den langsten weg der trekvogels noemt. Van dezen weg, Kolita, is er voor hem die het kan uithouden geen terugkeer. Geen terugkeer na den dood in deze wereld, hoeveel te minder gedurende het leven naar zijn huis. Dit huis stel ik onder je hoede; je hebt bewezen mij trouw te willen zijn tot in den dood. Bestuur huis en vermogen totdat mijn zoon den mannelijken leeftijd zal hebben bereikt. Groet mijn vader en mijn vrouwen, en mocht het je wel gaan!

Na dit gezegd te hebben en mijn hand, die de goede Kolita met kussen bedekte, te hebben vrijgemaakt, ging ik de poort uit. En toen ik de deurpost voorbijkwam, dacht ik: Indien de gelijkenis van dien bedelaar met Angulimala slechts oogverbhnding en een waarschuwingsteeken is geweest, zoo heb ik dit teeken echter goed begrepen.

Haastig, zonder om te zien, ging ik de voorstad met haar tuinen door en bij de eerste stralen der morgenzon strekte zich voor mij uit — als uitloopend in de oneindigheid: — de kale landweg.

En zoodoende, eerwaardigste, ben ik den vreemde ingetrokken.

Sluiten