Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij wien deze jonge mannen blijkbaar vedazangen en vedataal leerden. Hij groette mij vriendelijk en ofschoon het, naar aijn zeggen, slechts een uur gaans was naar het naaste dorp, noodigde hij mij evenwel uit den maaltijd met hen te deelen en te blijven overnachten. Ik nam zijn aanbod gaarne aan en eer ik mij ter ruste begaf, had ik menig goed en wijs woord gehoord. Toen ik den volgenden dag mijn tocht wilde vervolgen, vroeg mij de brahmaan:

— Wie, o pelgrim, is de meester in wiens naam gij uitgetrokken zijt? Ik gaf hem hetzelfde antwoord dat ik ook u gaf. Daarop zeide de brahmaan:

— Hoe wilt gij, o pelgrim, het hooge doel bereiken, als gij evenals een neushoorn alleen wandelt, inplaats van den verstandigen olifant in een kudde na te volgen en u door een kundig wegwijzer den weg te laten aangeven.

Bij het woord „kudde" keek hij welwillend naar de ons omringende jonge mannen en bij het woord „wegwijzer" scheen hij welbenagelijk in zichzelf te lachen.

— Want, vervolgde hij, al te hoog is dit voor eigen nadenken en zonder leermeester is het onmogelijk er in door te dringen. Zoo zegt ook de Veda bij het onderricht aan Cvetaketus: „Evenals, o dierbare, een man, die men van het land der Gandharen geblinddoekt weggevoerd en in de woestijn losgelaten had, naar oost, noord of zuid zou trekken, omdat hij geblinddoekt daarheen gebracht en geblinddoekt weer losgelaten werd; doch wanneer men hem den blinddoek van de oogen nam en men zei hem: „in die richting wonen de Gand-

Sluiten