Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behalve die, welke behooren tot het hchaam met al zijn zinnelijke eigenschappen en tot het bewustzijn met al zijn gevoelens, waarnemingen en voorstellingen — welke aanwijzingen behalve deze hebt gij dan nog noodig, dat gij met hun hulp in het wezen van den Volmaakte dat zoudt kunnen aantoonen, wat met behulp van geenen niet mogelijk was?

— Zoodanige andere aanwijzingen, eerwaardigste, heb ik voorzeker niet.

— Zoo zijt gij dan, Kamanita, alreeds hier, in de zinnelijke wereld, niet in staat den Volmaakte in waarheid en wezenlijkheid aan te toonen. Hebt gij dan het recht te zeggen dat de Volmaakte — of de monnik die alle onreinheid te boven is — wanneer zijn hchaam wordt opgelost, te niet gaat, dat hij niet meer bestaat na den dood? Alleen omdat gij geen middelen bezit hem in waarheid en wezenlijkheid aan te toonen?

Op deze wijze ondervraagd, bleef de pelgrim Kamanita een tijdlang zwijzend, met gebogen hoofd zitten.

— Zelfs indien ik niet het recht had zulks te beweren, zei hij eindelijk, zoo schijnt mij toch duidelijk genoeg uit de stilzwijgendheid van den Volmaakte te volgen, dat dit zoo zal zijn. Want voorzeker zou hij niet hebben gezwegen indien hij iets hoopvols mede te deelen had; wat het geval zou zijn als hij wist dat een monnik, aan het einde van zijn hjden gekomen, na zijn dood geenszins te niet ging, maar genaderd was aan een eeuwig en zalig leven. Een dergelijke mededeeling zou meer kans hebben de discipelen aan te sporen en hen tot het ware streven te voeren.

Sluiten