Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Volmaakte richtte zich op zijn mat op en begroette hem vriendelijk.

— Gaat gij reeds op weg, broeder?

— Ja, zeer zeker, riep Kamanita opgewonden uit. Stel u voor — men zou het waarlijk niet gelooven — het is bijna om te lachen en toch zoo wonderlijk — een waar geluk! Voor eenige minuten ontwaakte ik en daar door het vele spreken van heden nacht mijn keel droog was geworden, stond ik dadehjk op en begaf mij naar de bron onder de tamarinde, aan de overzijde van den weg. Daar trof ik een jong meisje aan, bezig haar kruik te vullen". En wat denkt^gij wel dat ik van haar vernam? De Volmaakte bevindt zich geenszins te Savatthi! En waar denkt gij dat hij dan wel vertoeft? Gisteren is hij hier te Rajagaha aangekomen, vergezeld van driehonderd monniken en nu houdt hij zich op in zijn Mangobosch, aan gene zijde van de stad. Over een uur zal ik hem hebben gezien — ik, die nog vier weken meende te moeten wandelen. Het is slechts een goed halfuur gaans, vertelde het meisje mij, wanneer men niet de hoofdstraten volgt, maar door de kleinere straten schuin naar

de westelijke poort loopt ik kan het nog bijna niet

begrijpen — de grond brandt mij onder de voeten — vaarwel, broeder! Gij hebt het goed met mij voor gehad en ik zal niet nalaten u ook naar den Volmaakte te brengen, maar thans kan ik mij waarlijk geen oógenblik langer ophouden.

En de pelgrim Kamanita snelde de hal uit en hep zoo vlug als zijn beenen hem wilden dragen de straten der voorstad door. Maar genaderd aan Rajagaha's stads-

Sluiten