Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over den geheelen omtrek welfde zich een hemel, welks ultramarijn-blauw naar den horizon toe lichter werd en onder dezen koepel zweefden er witte, kleine wolkjes, waarop schoone hemelsche genieën vertoefden, wier instrumenten de geheele ruimte met hun betooverende klanken vulden.

Geen zon was er aan dezen hemel te zien, hetgeen ook niet noodig was, daar van de wolken en de hemelsche genieën, van bergen en bloemen, van water en lotussen, van de kleederen der zaligen, maar nog meer van hun gelaat een wonderbaar hcht straalde. En evenals dit hcht de grootst mogelijke helderheid gaf, zonder in het minst te verblinden, zoo ook werd de zachte, met geuren bezwangerde warmte voortdurend verfrischt door de uitstraling van het water; deze lucht in te ademen was alleen reeds een genot, wat door niets op aarde geëvenaard kon worden.

Toen Kamanita den eersten indruk dezer heerlijkheden zoover te boven was, dat hij er niet langer meer door overweldigd werd, maar ze als zijn natuurlijke omgeving begon te beschouwen, vestigde hij zijn opmerkzaamheid op <ie andere menschehjké gedaanten, die evenals hij, rondom op de drijvende lotusrozen gezeten waren. Al spoedig bemerkte hij dat de roodgekleeden van het mannelijke en de witgekleeden van het vrouwelijke geslacht waren, terwijl de gedaanten in blauwe mantels zoowel tot het eene als tot het andere geslacht schenen te behooren.

Allen echter vertoonden de volkomen frischheid der jeugd en allen schenen vervuld te zijn van de meest welwillende gezindheid.

Sluiten