Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er waren slechts drie kleuren: het ultramarijnblauw van den hemel, het malakietgroen der rotsen en het koraalrood van den boom. En slechts één geur — de geheimzinnige geur der karmozijnroode bloemen, die hem hierheen geleid had.

En thans werd hem de wonderhjke eigenschap van dien geur duidelijk: toen Kamanita hem inademde, hier waar de geheele dalketel er van vervuld was, werd zijn bewustzijn eensklaps gescherpt en de slagboom weggenomen, die hem sedert zijn ontwaken in het meer had tegengehouden. Zijn vroeger leven lag open voor hem. Hij zag weder de hal van den pottenbakker waar hij met dien zonderlingen Buddhamonnik een gesprek had gevoerd. Hij zag het straatje te Rajagaha dat hij haastig inliep en de op hem aanstormende koe — zoo ook de ontstelde gezichten om zich heen en de monniken met de gele mantels. En hij zag de uitgestrekte boschen landwegen op zijn pelgrimstocht, zijn paleis en zijn beide vrouwen, Ujjenis hetairen, de roovers, het Krishnabosch en het terras der zorgeloozen met Vasitthi, het vaderlijk huis en de kinderkamer.

En daarachter zag hij een ander leven, nog een en nog een — steeds meer, zooals men een rij boomen langs den weg ziet, totdat de boomen tot streepjes worden en eindehjk samensmelten tot een enkele schaduwstreep.

Bij dit gezicht begon hij te duizelen. Dadelijk bevond hij zich weder in de kloof, als een blad dat door den wind wordt voortgestuwd. Want niemand kan den eersten keer den geur van den koraalboom lang uithouden en

Sluiten