Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

donkere kreupelhout, waar gazellen speelden doch geen menschehjké gedaante de eenzaamheid verstoorde, daalde hij met haar neder onder een boom.

— Ach, arme man! barstte Vasitthi uit; wat moet je hebben geleden! En wat moet je wel van mij gedacht hebben toen je hoorde dat ik met Satagira was getrouwd!

Kamanita deelde haar nu mede, hoe hij dit niet vernomen had van anderen maar hoe hijzelf in de hoofdstraat te Kosambi den bruilofsstoet voorbij had zien komen,, en de namenlooze smart die op haar gelaat te lezen stond, hem dadehjk had overtuigd, dat zij slechts had moeten toegeven aan den dwang harer ouders.

— Maar geen macht ter wereld zou mij ooit gedwongen hebben als ik niet geloofd had het zekere bewijs in handen te hebben dat je niet meer in leven waart.

En Vasitthi begon op de volgende wijze haarweder; varen te verhalen.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. De keten met het tijgeroog.

Nadat gij, mjjn vriend, Kosambi verlaten had, gingen de dagen en nachten ellendig voor mij voorbij, zooals een meisje overkomt dat door een koortsachtig verlangen verteerd wordt. Bovendien verkeerde ik steeds in angst over mijn gehefde, van wien ik niet eens wist of hij nog in leven was. Ik had immers zoo menigmalen over

Sluiten