Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik stond inmiddels met mijn rug geleund tegen den acokaboom, welks stam ik met beide handen vasthield, waarbij ik mijn nagels krampachtig in de schors drukte om niet ineen te zinken. Toen hij zijn verhaal ten einde had, scheen alles om mij heen in het rond te draaien. Maar nog wilde ik mij niet gewonnen geven.

— Je bent een eerlooze roover en moordenaar, zei ik; welke waarde kunnen je woorden voor mij hebben ? Waarom zou je niet uitspreken wat je bevolen werd door hem, in wiens macht je wandaden je gebracht hebben.

En door een plotselingen inval, die mijzelf verraste, ja, mij bijna weer nieuwe hoop gaf, vervolgde ik:

— Je durft me niet eens in de oogen te kijken — jij, de schrik van iedereen — mij, een zwak meisje — je durft niet, omdat je een lafhartige leugen vertelt, op aanstoken van dien man.

Angulimala keek niet op; met een ruwen lach antwoordde hij met een stem als het brommen van een gekluisterd roofdier:

— Waar zou het goed voor zijn u in de oogen te kijken. .Dat laat ik over aan de jonge knapen. Evenmin zou u de blikken als de woorden van een eerloos roover gelooven en zeker niet veel waarde hechten aan zijn eed.

Hij kwam een schrede nader.

— Welaan, meisje, wees dan getuige van mijn waarheidsdaad!

Nog eenmaal, terwijl hij zijn oogen naar de maan ophief, trof zijn blik mij als een bliksemstraal. Van onder zijn roodgeverfd haar en baard was slechts het wit zijner oogen zichtbaar. Zijn borst ging op en neer,

Sluiten