Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Verwonderlijk! riep Kamanita uit. Op mijn pelgrimstocht zocht ik eennjaal een onderkomen in een hut, die aan het uiteinde eener bergkloof lag en waar een kleine, bevallige beek voorbij hep, in wier helder water ik na mijn wandehng mijn voeten verkoelde. Des nachts kwam er een geweldig onweer met stortregens en daar ik wakker lag, kon ik hooren hoe de beek, die ik des avonds slechts had hooren kabbelen en murmelen, nu steeds wilder begon te bruischen en te stroomen. Maar daarbij vernam ik een bulderend, donderend geraas waarvan ik mij geen verklaring kon geven. Den volgenden morgen zag ik nu, hoe het heldere beekje een woeste bergstroom was geworden, met grijze, schuimende, golven, waarin groote steenen die over elkaar rolden en sprongen, werden meegesleept. Deze steenen waren het, die dat geraas hadden veroorzaakt. Maar hoe zou het komen, dat door het hooren van de geluiden in dezen stroom juist die herinnering van mijn pelgrimstocht bij mij wordt opgewekt?

— Dat komt daarom, antwoordde Vasitthi, dat in gindsehe bergbeek het steenen waren, doch hier inden hemelschen Ganga zijn het werelden die meegesleept en weggedreven worden en zij zijn het, welke die dreunende, donderende geluiden veroorzaken

— Werelden! riep Kamanita ontsteld uit

Vasitthi glimlachte geheimzinnig en wilde een weinig voorwaarts zweven, doch Kamanita hield haar angstig bij een slip van haar kleed terug.

— Hoed u, Vasitthi! Wie weet welke machten, welke vreeselijke krachten er boven dezen wereldstroom

Sluiten