Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook hier brandt de zomerzon eVen fel als aan de oevers van den Ganga, droogt de wateraderen uit en verschroeit het gras. Maar in den winter berooft de vorst de boomen van hun loof en bedekt de velden met rijm. Geen steden met trotsche torens, maar uitgestrekte dorpen met groote omheiningen liggen te midden van weelderige grasvlakten, terwijl een beschermende hoogte door middel van wallen en plompe muren tot een kleine vesting is gemaakt.

Hier woont een krijgshaftig herdersvolk. In de bergen huizen talrijke wolven en mijlen ver hoort de verschrikte wandelaar het gebrul van den leeuw, „het gevreesde wild der bergen," zooals hij hem noemt, want hij is een zanger. Na een langen voettocht nadert hij een dorp als een onbekende, doch welkome gast — overal is hij welkom. Over zijn schouder hangt zijn eenig zichtbaar eigendom: een kleine luit, maar in zijn hoofd bergt hij heel de kostbare erfenis zijner vaderen: oude, geheimzinnige hymnen ter eere van Agni en Indra, van Varuna en Mitra, ja, ook van onbekende goden; krijgs- en drinkliederen voor de mannen, liefdezangen voor de meisjes en daarbij bezit hij den lust en de geschiktheid om uit eigen middelen zijn voorraad te vergrooten. Hoe zou dan zulk een gast niet welkom zijn?

Het is de tijd dat het vee naar huis gedreven wordt. Aan de spits van een kudde loopt een aanvallig jong meisje, liefehjk in al haar bewegingen. Naast haar loopt haar lievehngskoe, wier klok de anderen volgen; nu en dan likt deze de vrij neerhangende hand van het meisje.

Hij wenscht haar goedenavond; vriendelijk beant-

Sluiten