Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebt gij niets te vreezen. Gij zijt de eenige persoon voor wie ikzelf bevreesd ben geweest en die ik, zooals gij het zelf zoo juist zeide, niet in de oogen durfde te zien, omdat ik u bedroog.

— Gij bedroogt mij? riep ik uit en wist nauwelijks of er in mijn binnenste de hoop ontwaakte dat gij, mijn geliefde, nog in leven waart, of dat ik aangegrepen werd door een nog grooter wanhoop, dat ik mij had laten verlokken mij van u te scheiden, terwijl gij nog in leven waart.

— Ik bedroog u, antwoordde hij, en daarom zijn wij op elkander aangewezen, daar wij beiden iets te wreken hebben en wel op denzelfden man: op Satagira.

Met een gebaar als van een vorst noodigde de roover mij uit om plaats te nemen, alsof hij mij veel te zeggen had. Daar ik mij slechts met moeite overeind kon houden, het ik mij willoos op een bank neer en bleef hem aanstaren met een ademloos verlangen naar zijn volgende woorden, die mij opheldering moesten geven aangaande het lot van mijn geliefde.

— Inderdaad viel Kamanita met zijn karavaan in mijn handen, in de bosschen van Vedisa. Hij verdedigde zich dapper, maar werd ongewond gevangen genomen en daar het losgeld ter rechtertijd inkwam, zond ik hem ongedeerd naar huis, waar hij ook in goeden toestand aankwam.

Op dit bericht loosde ik een diepen zucht van verhchting. In dit oógenblik gevoelde ik slechts vreugde, in het bewustzijn dat gij u onder de levenden bevondt, hoe weinig opbeurend dit gevoel ook mocht zijn.

Sluiten