Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zag hoe de opgaande zon de torens en koepels van Kozambi verguldde, evenals ik dit schouwspel zoo menigmaal had gadegeslagen van het terras der zorgeloozen, wanneer ik daar met u die onvergetelijke nachtelijke uren had doorgebracht — helaas, hoe geheel anders waren de gevoelens geweest waarmede ik het toen genoot.

Zoo ongelukkig als ik mij ooit gevoeld had, mat en ellendig, alsof ik in dezen nacht wel tientallen van jaren ouder was geworden, begaf ik mij in het paleis.

Om naar mijn vertrekken te komen, moest ik een lange galerij door, aan welker eene zijde getraliede vensters en deuren naar verschihende ruimten voerden. Een zoodanig venster voorbijkomende, hoorde ik stemmen. Een dezer — het was die van mijn echtgenoot — zei juist:

— Nu, dan zullen we dus van nacht een uur na middernacht opbreken.

Onwülekeurig bleef ik. staan. Het uur wist ik dus! Maar de weg? Een blos van schaamte overtoog mijn gelaat, dat ik aan de deur stond te luisteren. „Vlucht, vlucht! riep een stem in mijn binnenste. „Nog is het tijd!" Maar ik bleef staan alsof ik daar vastgegroeid was.

Satagira zei niets meer. Hij had mijn schreden gehoord en hun ophouden bij de deur. Eensklaps ging deze open en mijn echtgenoot stond voor mij.

— Ik hoorde in het voorbijgaan je stem, zei ik, plotseling tot een besluit komende, en dacht je te vragen of ik je ook eenige verfrisschingen wilde laten brengen, daar je zoo vroeg aan den arbeid zijt. Maar toen vreesde ik weder je te storen en wilde verder gaan.

Sluiten