Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Satagira keek mij zonder argwaan aan; ja, zelfs met een blijde verrassing op het gelaat.

— Ik dank je zeer, zei hij; verfrisschingen begeer ik weliswaar niet, maar je stoort ons geenszins. Ik meende je zelfs juist een boodschap te zenden maar dacht dat je nog niet op waart gestaan. Je kunt me van grooten dienst zijn.

Hij noodigde mij binnen te komen, hetgeen ik deed, hoogst verwonderd en uiterst gespannen, welke dienst het wel zijn kon die hij van mij begeerde, op het oógenblik dat ik geheel vervuld was van een moordaanslag tegen hem.

Een man, in wien ik een ruiteraanvoerder herkende en die Satagiras vertrouwde was, bevond zich daar op een lagen zetel, Bij mijn binnenkomst stond hij op en boog voor mij. Satagira liet mij naast zich plaats nemen, gaf den ruiteraanvoerder een wenk dat hij weer kon gaan zitten en richtte zich tot mij: —

— Mijn heve Vasitthi, de zaak is deze: Ik moet zoo spoedig mogehjk op reis om een dwaas geschil tusschen twee dorpen in de Oostehjke provincie te. gaan beslechten. Nu hebben zich eenige weken geleden in de bosschen oostelijk van Kosambi vermetele rooverbenden vertoond. Zelfs gaat het domme gerucht dat hun aanvoerder niemand anders is dan Angulimala, waarbij men de ongehoorde brutaliteit heeft om te beweren, dat Angulimala destijds uit de gevangenis zou zijn ontvlucht en dat ik inplaats van zijn hoofd, een ander boven de poort had laten opstellen. Om zulke fabels kunnen we natuurlijk lachen, maar deze roover schijnt evenwel

Sluiten