Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik mompelde iets, dat als dank voor zijn vriendelijke bezorgdheid moest gelden.

— Panduka, vervolgde hij, stelt dan voor, om op een in het oogvallende wijze al de maatregelen te nemen alsof ik morgen met een groote troepenmacht het Oosten zal intrekken om de roovers te gaan vangen. Wanneer zij dan — waar ik niet aan twijfel — hier in de stad hun heelers en spionnen hebben, zullen zij er dus mede op een dwaalspoor worden geleid. Inmiddels breek ik een uur na middernacht met mijn dertig ruiters op; ik verlaat dan de stad door de Zuidelijke poort, ga het heuvelland door en kom vervolgens door een grooten boog in Oostelijke richting. Gaarne wilde ik de hoofdwegen vermijden totdat ik op eenige mijlen van Kosambi ben gekomen. Maar nu ligt immers je vaders landhuis juist in dat heuvellanden van kindsbeen afmoet je daar bekend zijn met alle paden en wegen, zoodat je mij hier ten zeerste zoudt kunnen helpen met een goeden raad.

Ik verklaarde mij dadelijk er toe bereid en terwijl ik hem alles uitvoerig beschreef, liet ik mij een lei geven, teekende hierop nauwkeurig een kaart van de omgeving van mijns vaders landhuis en zette kruisjes bij de plaatsen die hij bijzonder in het oog had te houden. Zoodoende gaf ik hem dan een pad aan, dat door een kleine kloof liep. Het was een pad dat op het einde zoo nauw werd, dat twee ruiters er niet naast elkaar konden rijden; daarbij was het zoo weinig bekend, dat zelfs indien de roovers er vermoeden van kregen dat hij dien omweg maakte, ze hem daar toch zeker niet zoudén zoeken.

Als kind had ik in die kloof dikwijls gespeeld met mijn

Sluiten