Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of gij wel in staat zoudt zijn mij de gewenschte inlichtingen te verschaffen, ontdekte ik op den weg die van de Oostelijke stadspoort naar het bosch leidt, een eenzamen wandelaar, gehuld in een gelen mantel, die met krachtige stappen voorwaarts schreed. Aan beide zijden van den weg waren herders en landbouwers bezig met hun arbeid en nu viel het mij op, dat-zij, die zich het dichtst bij den weg bevonden, dien eenzamen wandelaar iets toeriepen, terwijl ook de meer verwijderden hun arbeid staakten, hem nakeken en naar hem wezen. Hoe verder hij zijn weg vervolgde, -des te ijveriger schenen de dichtstbijzijndeh hem te waarschuwen; ja, zij schenen hem zelfs te willen tegenhouden, daar enkelen hem naliepen en zijn mantel grepen — deze schenen nog opgewondener te zijn en wezen met verschrikte gebaren in de richting van het bosch. Ik meende ten naastenbij te kunnen hooren hóe zij hem toeriepen: „Ga niet verder, ga het bosch niet in! De gevaarlijke roover Angulimala houdt zich daar op."

Doch de wandelaar vervolgde onbekommerd zijn weg naar het bosch. En nu maakte ik uit zijn gelen mantel en zijn gladgeschoren kruin op, dat hij een asceet moest zijn, namelijk een van hen die tot de orde van den Sakyerzoon behooren — een oud man van een statig voorkomen.

En ik dacht bij mezelf: Hoe wonderlijk, hoe uiterst wonderlijk is dit! Dezen weg zijn tien, dertig, ja soms vijftig man gegaan in vereeniging en goedgewapend en toch zijn zij allen in mijn handen gevallen, terwijl gindsche asceet daar geheel alleen, als een veroveraar, zijn weg vervolgt.

Sluiten