Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanmanen te blijven stil staan, ofschoon hij toch zeer goed ziet dat ik blijf stilstaan. Op dezelfde wijze zou de wilde gans in zijn vlucht tot den eik kunnen zeggen: „Ik sta, eik, blijf jij ook staan!" Hier moet toch iets onder schuilen en het zou van meer waarde zijn, de geheime beteekenis dezer ascetenwoorden te weten te komen dan een ouden asceet om te brengen. Ik riep hem dan toe:

— Wandelend denkt gij stil te staan, asceet en van mij die stilstaat, denkt ge dat ik wandel. Verklaar mij dit, asceet! Hoe staat gij stil en wandel ik?

En hij antwoordde mij:

— Ik, die geen schepsel eenig kwaad doe, ik ben onbewegelijk, wandel niet meer. Maar gij, die tegen alle schepselen raast, gij moet willoos van de eene lijdensplaats naar de andere wandelen.

Hierop antwoordde ik hem:

— Ik heb wel eens gehoord dat wij eeuwig wandelen. Maar wat gij zegt omtrent onbewegelijk stil te staan en niet te wandelen — dat begrijp ik niet. Wilt gij, eerwaardigste, mij duidelijk verklaren wat gij zoo even^ gezegd hebt. Zie, ik heb mijn speer weggeworpen en ik zweer u plechtig: Ik schenk u den vrede.

— Voor den tweeden keer, Angulimala, zei hij, hebt gij valsch gezworen.

— Voor den tweeden keer?

— De eerste keer was het bij die valsche waarheidsdaad. Dit scheen mij toe niet het minste wonder te zijn; namelijk, dat hij van mijn geheim bedrog wist, doch zonder mij daar verder mede op te houden, haastte

Sluiten