Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleef zwijgen, in welken ik alles wat Angulimala mij had medegedeeld nog eens punt voor punt herdacht en waarover ik mij hoe langer hoe meer moest verwonderen. Want, hoewel ik vele sagen uit vroegeren tijd over goddelijke wonderen had gehoord, en inzonderheid over Krishna's wonderdaden, toen hij hier op aarde rondwandelde, zoo kwam het mij toch voor, dat zij mij, wanneer men ze vergeleek met hetgeen hem pas geleden in het bosch was overkomen, gering en onwezenlijk toeschenen.

En ik vroeg mezelf af, of die zeldzame man, die in den loop van enkele uren den gevreesden roover had kunnen veranderen in den zachtmoedigen man die nu tot mij gesproken had — of die Volmaakte, die zoo gemakkelijk en zeker het wildste wat er in de natuur te vinden was, had getemd, of hij dan ook niet in staat zou zijn mijn onstuimig, door hartstocht geslingerd gemoed tot rust te brengen en door het hcht zijner woorden de donkere wolken van zorg die het benevelden, zou kunnen verjagen. Of was dit misschien nog moeielijker; ja, een opgave die zelfs het vermogen van den hefligsten mensch te boven ging? Ik vreesde bijna dat dit laatste het geval moest zijn, maar toch deed ik de vraag, waar die voorname asceet, dien hij zijn meester noemde, zich ophield en of ik hem zou kunnen naderen.

— Gij doet er wel aan dit dadehjk te vragen, antwoordde Angulimala; wat zoudt ge ook anders kunnen vragen? Juist om die reden ben ik hier gekomen. Wij, die bondgenooten zouden zijn geweest in een kwade zaak, nu zullen wij het Worden in een goede. De Vol-

Sluiten