Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen het ongeduldig verwachte uur eindelijk was aangebroken, waren al deze zaken reeds geladen op met muildieren bespannen wagens. Zelf namen wij plaats onder de tent op een anderen wagen en getrokken door twee zilverwitte volbloedpaarden, die iederen morgen uit mijn hand driejarige rijst kwamen eten, reden wij de poort uit.

De zon naderde reeds de torens en koepels der stad en haar stralen verguldden het stof dat langs den geheelen weg werd opgedwarreld door de velen die evenals wij — doch voor het meerendeel te voet — uittrokken om Buddha te gaan zien en hooren.

Weldra was de ingang van het bosch bereikt. Hier heten wij de wagens achter en begaven ons te voet verder, gevolgd door de bedienden die de meegebrachte gaven droegen.

Sedert den nacht dat wij daar van elkaar afscheid hadden genomen, was ik niet meer in dat bosch geweest. En toen ik nu, vergezeld van dezelfde personen weder in- diezelfde koele schaduw kwam, werd mijn herinnering in zulk een mate opgewekt, dat het mij was alsof de geur dier boomen zich in den loop der jaren zoodanig had opgespaard, dat hij zich veranderd had in gift; ik bleef als bedwelmd stilstaan. Het was mij alsof mijn hefde tot haar volle kracht ontwaakt, zich mij in den weg wilde stellen om mij te beschuldigen van vlucht en verraad. Want ik was hier immers niet gekomen om haar voedsel te geven door dien geinder herinnering in te ademen, maar om vrede te zoeken voor mijn teleurgesteld en gefolterd hart.

Sluiten