Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden weerklonken mij thans in het oor als eentempelklok en ik voelde mij een gezegende, die een gebeurtenis tegemoet gaat, welke komende geslachten haar zullen benijden.

Toen wij de open plek waren genaderd waar de tempelruine gelegen was, hadden zich hier reeds een aantal menschen verzameld, zoowel leeken als monniken. Zij stonden in groepen; de meesten in de nabijheid der ruine, die zich vlak voor ons opdeed. Dicht bij het punt waar wij de open plek waren binnengekomen, ontdekte ik een grooteren troep monniken en daaronder een echte reuzengestalte, die wel mijn opmerkzaamheid moest trekken, aangezien hij een hoofd boven den langste uitstak. -Terwijl wij nu rondspeurden waar wij ons zouden opstellen, kwam een oude asceet tusschen ons en deze monniken het bosch uit. Zijn hooge gestalte had zulk een koninklijke houding en er straalde zulk een verklaarde rust uit zijn edele trekken, dat ik dadelijk dacht: zou dit niet de Sakyerzoon zijn, dien zij Buddha noemen. In zijn hand had deze asceet eenige sinsapabladeren en terwijl hij zich tot de monniken wendde, vroeg hij:

— Wat meent gij, discipelen, dat het talrijkst zijn, deze sinsapabladeren die ik in de hand heb, of de overige bladeren daar in het bosch?

En de monniken antwoordden:

— De bladeren die de Volmaakte in de hand heeft zijn 'slechts weinigen en veel talrijker zijn de bladeren daar in het bosch.

— Zoo ook, zeide hij, die — zooals ik nu begreep — Buddha was, zoo ook, discipelen, is dat, hetwelk ik

Sluiten