Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl ik naar deze vertelling luisterde, kon ik niet nalaten te denken aan Angulimala, de wildste onder de wilden, die den vorigen dag Buddha nog had willen dooden, maar getemd, ja bekeerd werd door de onweerstaanbare macht zijner persoonlijkheid en dien ik nu aandachtig daartegenover mij in den kring der monniken zag zitten — ook uiterlijk een ander geworden en nauwelijks meer te herkennen.

Het scheen mij toe dat de woorden van den Verhevene uitsluitend tot mij waren gericht, als de eenige — in ieder geval buiten den kring der monniken — die met dit voorval bekend was en daardoor de geheime bedoeling zijner woorden kon begrijpen.

De Verhevene vertelde nu verder van Krishna, als den zestienduizendeenhonderdvoudigen bruidegom, in welke hoedanigheid onze voorvaderen hem hadden aangebeden, en weder was het mij alsof het een heimelijke aanduiding was voor mij, daar ik mij immers herinnerde hoe bij onze laatste samenkomst de oude, leelijke heks den goddelijken held bij dezen naam had genoemd en dien ik niet kon hooren zonder hartklopping.

Met een zweem van luim vertelde de Verhevene dan, hoe Krishna al de schatten had genomen uit den burg van den demonenkoning Naraka. „En op een goeden dag," heette het, „huwde hij gelijktijdig alle jonge dochteren, terwijl hij bij ieder in het bijzonder zich als haar echtgenoot voordeed. Het getal zijner echtgenooten bedroeg zestienduizendeenhonderd en daar de god zich in even zoo veel afzonderlijke gedaanten had belichaamd, meende ieder der meisjes: „Mij alleen heeft de Heer uitgekozen."

De Pelgrim Kamanita 17

Sluiten